Schadevergoeding voor schendingen van de mensenrechten van geïnterneerden: wat met de problematiek van de verjaring?

Het Hof van Beroep van Brussel heeft in een belangrijk arrest van 14.09.2020 (Brussel, R.L. t/ Belgische Staat, 2019/AR/481 (ongepubliceerd)) geoordeeld dat de verjaring pas begint te lopen tegen een geïnterneerde wanneer de mensenrechtenschending door de overheid is opgehouden.

De zaak betrof de vordering van een man die in 2007 geïnterneerd werd en vervolgens door de Belgische Staat tijdens de uitvoering van de interneringsmaatregel 2.647 dagen was opgesloten in de gevangenis zonder aangepaste therapeutische tenlasteneming. Hij vorderde een schadevergoeding voor de periode dat hij langer als een redelijke termijn in de gevangenis was opgesloten, in plaats van in een aan zijn problematiek aangepaste instelling, zoals vereist is door art. 5.1.e EVRM.

De Belgische Staat erkende de mensenrechtenschendingen, maar vond dat een deel van de vordering verjaard was. De Nederlandstalige Rechtbank van Brussel was hier in gevolgd en had de vordering onontvankelijk verklaard op grond van verjaring voor de opsluiting voor de periode voor 17.08.2012 – vijf jaar voor de datum van dagvaarding.

Het Hof van Beroep heeft dit vonnis dus hervormd. Het Hof steunt zich daarbij op de rechtspraak van het Hof van Cassatie omtrent de verjaring van voortdurende overheidsfouten. Om kort te zijn: de verjaring begint pas te lopen tegenover de burger zodra de overheid haar voortdurende fout heeft gestaakt. De bevestiging van deze cassatierechtspraak heeft uiteraard een belangrijke impact op de vorderingen van geïnterneerde geesteszieken, die soms tientallen jaren in de gevangenis opgesloten werden.

Het Hof motiveert haar beslissing als volgt:

Omdat de fout van de Belgische Staat echter een steeds hernieuwde onrechtmatigheid uitmaakt, kan de verjaring niet aanvangen zolang de beweerde onrechtmatigheid voortduurde (Zie Cass. (1e k.) AR C.16.0043.F, 22.09.2016 (C.G./ Communauté française), www.cass.be; NjW, 2017, 603, noot F. Bruloot, ‘Overheidsaansprakelijkheid voor een voortdurend hernieuwde onrechtmatige daad en de verjaring van de vordering’).

Hoewel de schuldvordering in geval van een onrechtmatige daad van de overheid in regel ontstaat op het ogenblik waarop de schade tot stand komt of waarop haar toekomstige verwezenlijking naar redelijke verwachting vaststaat, begint de verjaringstermijn van art. 100, eerste lid, 1° Wet Rijkscomptabiliteit, wanneer de fout van de overheid voortduurt, niet eerder te lopen dat op de eerste januari van het begrotingsjaar tijdens hetwelk het schuldige gedrag is opgehouden (Zie Cass. (1e k.), AR C.15.02998.F, 2 februari 2017, www.cass.be (28.02.2017); JLMB 2017, afl. 35, 1653 en http://jlmbi.larcier.b (e (08.11.2017); RW 2018-19 (samenvatting), afl. 5, 186 en http://www.rw.be/ (01.10.2018).

De onrechtmatigheid waarop appellant zijn vordering steunt en die de Belgische Staat erkent, wordt aangeduid als de opsluiting van de geïnterneerde in de gevangenis zonder aangepaste therapeutische tenlasteneming.

Dat heeft zich in de bedoelde periodes ononderbroken voortgedaan; het foutieve gedrag van de overheid is pas opgehouden toen appellant overgeplaatste werd naar een geschikte (psychiatrische) inrichting. Dit gebeurde in deze zaak op 23.06.2017.

Appellant ging over tot dagvaarding op 17.08.2017, d.i. ongeveer 2 maanden na het ophouden van het foutief handelen van geïntimeerde dat als beginpunt geldt voor de aanvang van de verjaring.

Er is dus geen verjaring met toepassing van art. 100 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit en ook niet onder toepassing van de verjaringsregels van het gemeen recht, art. 2262bis §1, 2e lid BW.

De vordering is ontvankelijk. Het bestreden vonnis wordt op dat punt hervormd.