Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 16.01.2020 met betrekking tot de opslorping van buitenlandse veroordelingen

Ons kantoor mocht vandaag het arrest van het Grondwettelijk Hof ontvangen in antwoord op de prejudiciële vraag gesteld door de Correctionele Rechtbank te Tongeren over de gelijke behandeling van eerdere buitenlandse veroordelingen die samenhangend zijn met feiten die berecht worden in België. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de wijze waarop de strafrechter rekening dient te houden met de veroordelingen die door strafgerechten van andere lidstaten van de Europese Unie zijn uitgesproken.

Peter Verpoorten - grondwettelijk hof

Mr. Peter Verpoorten: ‘Uit de bepalingen van ons Strafwetboek volgt dat de strafrechter in de regel rekening dient te houden met de veroordelingen die door strafgerechten van andere lidstaten van de Europese Unie zijn uitgesproken, MAAR dat dat niet het geval is wanneer hem feiten worden voorgelegd die, samen met de misdrijven waarvoor reeds een buitenlandse veroordeling bestaat, de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet zijn – iets wat gebruikelijk wel het geval is voor vergelijkbare Belgische vonnissen.

Doordat artikel 99bis, tweede lid, van het Strafwetboek voor buitenlandse strafvonnissen de toepassing uitsluit van artikel 65, tweede lid, van hetzelfde Wetboek doet het dus een verschil in behandeling ontstaan tussen de personen die in België zijn veroordeeld en de personen die in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn veroordeeld.

Volgens het Grondwettelijk Hof verhindert deze regeling echter de rechter niet om de veroordelingen in een andere lidstaat van de Europese Unie op een andere wijze in aanmerking te nemen.’

Het Hof stelt aldus vast: ‘Artikel 3, lid 5, van het kaderbesluit 2008/675/JBZ dient zo te worden geïnterpreteerd « dat indien de nationale rechter, op grond van een in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordeling, oordeelt dat een bepaalde strafmaat gezien de omstandigheden van de dader binnen de grenzen van het nationale recht onevenredig hard voor de dader zou zijn en het doel van de sanctie met een lagere straf kan worden bereikt, hij de strafmaat kan verminderen, indien een dergelijke strafmaatvermindering in louter nationale zaken mogelijk zou zijn » (considerans 9 van het kaderbesluit).’

Die interpretatie blijkt volgens het Hof ook ook uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling, waarin wordt bevestigd dat « de Belgische rechter zijn beoordelingsvrijheid behoudt om de straf te bepalen die hij gepast en gerechtvaardigd acht in het licht van de desbetreffende omstandigheden » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3149/001, p. 59).

De prejudiciële vraag dient volgens het Grondwettelijk Hof, onder voorbehoud van deze interpretatie, ontkennend te worden beantwoord… Wat wil dit nu zeggen?

Mr. Peter Verpoorten: ‘Naar onze inschatting is de opslorping van buitenlandse strafvonnissen dus niet mogelijk, en dienen deze als ‘verzachtende omstandigheid’ in aanmerking genomen te worden. De rechter dient aldus het wettelijk opgelegde strafminimum te respecteren, TENZIJ de rechter van oordeel is dat deze minimumstraf alsnog ‘onevenredig hard’ zou uitvallen, en in dat geval kan hij deze nog verder verminderen.’

De link naar het arrest vindt u hier.

De inzichten van Professor Joachim Meese vindt u hier.